Albert Faber schreef zijn boek naar aanleiding van vele onderzoeken en gesprekken in het kader van het project ‘handelingsperspectieven voor duurzaamheid’ van de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid (WRR).
Hij begint met de constatering dat nooit eerder één soort zoveel invloed had op aarde, als de mens nu. Het is niet iets dat we met alle macht moeten voorkomen, die grens is gepasseerd. Vandaar dat hij dit geologische tijdperk als antropoceen zou willen beschrijven. Hij wil de term dan als moreel geladen en normatief gebruiken. We kunnen niet langer blijven verlangen naar hoe het was. De invloed van de mens is niet perse achteruitgang.
Cultuur en natuur hoeven volgens hem bijvoorbeeld geen tegenstrijdige begrippen te zijn, daarvoor zijn ze te verweven met elkaar. Enerzijds heeft de mens een enorme impact op de aarde. Anderzijds staan we machteloos ten opzichte van het natuurgeweld waarmee we steeds meer geconfronteerd worden.

Planetaire grenzen

Daarbij kunnen we het ons volgens Faber niet meer veroorloven om de mensheid als een homogene groep te zien. De verschillen zijn daarvoor te groot. Zowel sociaaleconomisch en daarmee samenhangend de impact die we hebben. Als ook de gevolgen van de de klimaatveranderingen die we ondervinden.
Sinds de jaren negentig is de economische divergentie wel kleiner geworden, omdat wereldwijd de economische omstandigheden beter worden. Samen met de bevolkingsgroei zorgt dit ervoor dat er ieder jaar meer grondstoffen nodig zijn.
Daarom zijn in 1965 de planetaire grenzen opgesteld. Waarbij voor negen mondiale ecologische indicatoren grenswaarden bepaald zijn om onomkeerbare veranderingen te voorkomen. Inmiddels zijn voor vier van deze waarden de grenzen al overschreden. Namelijk voor klimaatverandering, verlies aan integriteit van de biosfeer, veranderingen in het landsysteem en verstoring van biogeochemische cycli van fosfaat en stikstof.

Toekomstperspectief

Blijkbaar gaat er niet voldoende appel uit van dergelijke grenzen, men interpreteert het al snel als ruimte waarbinnen juist nog verder gegroeid kan worden. Tevens is niet bekend of deze grenzen werkelijk leefbaar zijn of dat er al eerder een kantelpunt kan optreden.
Daarbij wordt onze tijd gekenmerkt door niet meer te ontwarren verwevenheid van economieën, landen en mensen. Deze complexe wereld is onoverzichtelijk, waardoor het lijkt alsof we de controle kwijt zijn of onze acties er niet meer toe doen. Toch hebben ook complexe systemen hun eigen wetmatigheden, die aanknopingspunten bieden om te handelen. Als mogelijkheid noemt Faber bijvoorbeeld het versterken van lokale veerkracht, preventieve maatregelen of aanpassingen aan de veranderende situatie. Zo hoeven we ons niet neer te leggen bij een situatie die uit de hand gelopen is, maar moeten we op zoek naar een perspectief voor een toekomst die leefbaar is voor de aarde en mensen.

Nostalgische kramp

Hij eindigt zijn boek dan ook met een oproep tot hoop. Weg van de verlamming naar hoop als werkwoord. Een opdracht om over te gaan tot actie, om ideeën over een leefbare wereld vorm te geven, ondanks de kans van falen of wat anderen ervan denken.
Zo geeft Faber een duidelijk beeld van wat er allemaal speelt en hoe we gekomen zijn waar we nu zijn. Hij maakt op een overtuigende manier duidelijk dat het niet langer nut heeft om te blijven hangen in een nostalgische kramp. We kunnen niet terug naar de ‘goede, oude tijd’, omdat dit je denken beperkt. Terwijl er in de afgelopen jaren juist ook veel mogelijkheden en inzichten bijgekomen zijn, die we goed moeten gebruiken om echte stappen te maken.
Een aanrader dus, het boek is zowel kritisch als breed en tegelijk activistisch en hoopvol.