Toen de wereld voor maanden achtereen platgelegd werd, kregen we allerlei positieve berichten te horen  over schone luchten en helder water. Het hield de moed er een beetje in. Zo konden we ons proactieve brein enigszinds gerust stellen, dat het nog ergens goed voor is geweest allemaal. Het wildlife kon het echte wilde leven zelfs weer een beetje oppakken, zo leek het.

Wildparken

Wel waren er verontrustende berichten uit wildparken, want de rangers worden vaak betaald vanuit potjes gespekt door toeristen. Nu deze inkomsten wegvallen, zijn er niet voldoende middelen om parkwachters in te zetten. Waardoor men bang is voor een toename van het stropen. Dit gebeurt op verschillende manieren. De lokale bevolking heeft door de lockdown geen inkomsten meer, dus geen mogelijkheid om voedsel te kopen. Zij plaatsen strikken voor klein wild. Ze slachten dat ter plaatse en nemen de eetbare delen mee om zich mee te voeden of te verkopen. Ook hiertegen treden de rangers op, want ze moeten het wildlife beschermen. Dat lijkt me toch een ongezonde redenatie. Deze mensen wonen in een gebied met voldoende voedsel en door een tijdelijke crisissituatie worden ze gedwongen gebruik te maken van deze voedselbronnen. Bovendien laten ze de kadavers op hun plaats, zodat aaseters even goed aan hun trekken komen.

Luxeprobleem

Anderzijds hebben de parkwachters de informatie van deze lokale bevolking nodig, om inzicht te krijgen in het werk van ‘echte’ stropers. Degenen die voor veel geld groot wild afslachten of stelen. Door de groeiende welvaart in Aziatische landen, neemt de vraag naar ivoor en roofdierbotten toe. Men blijft vasthouden aan ideeën over de geneeskrachtige werking van dergelijke dierlijke producten. Dat brengt niet alleen het voortbestaan van deze dieren in gevaar (alsof dat niet voldoende reden is om ermee te stoppen). Het brengt ook de nodige gezondheidsrisico’s met zich mee, omdat de roof vaak onder onhygiënische omstandigheden plaatsvindt. Waardoor ziekten van dieren kunnen worden overgedragen op mensen. Een punt dat nu veel urgenter is geworden dan het een half jaar geleden leek. Laten we onszelf trouwens vooral geen illusies maken op dit punt. Want in het Westen blijft een minstens zo onzinnige hype overeind, omdat reptielenleer een zogenaamde eyecatcher is.

Genoeg voor iedereen

Veel van de projecten voor natuurbehoud worden dus gefinancierd op basis van, het in de afgelopen jaren steeds populairdere, ecotoerisme. Wat op zich nogal paradoxaal klinkt. Het kost meestal uren vliegschaamte om de bestemming te bereiken waar je met je bezoek iets bij denkt te dragen aan het natuurbehoud. Men is bang dat, wanneer er straks weer toegang is tot de landen, delen van bossen zijn afgebrand en grond is ingepikt voor landbouw. Een probleem dat niet heel onrealistisch klinkt. Omdat we zelfs in Nederland meer op zoek gaan naar een huis met extra buitenruimte. Voor ons gaat het dan nog vooral om meer ruimte en groen om ons heen. Maar in ecotoeristische oorden is het niets dan bittere noodzaak. Daar zijn moestuintjes en voedselbossen echt nodig voor levensonderhoud, in plaats van aardig mindful project.