Bakfietsmuts

Donderdagavond 8 maart werd, ter ere van internationale vrouwendag, aan de Universiteit Leiden de 28e Annie Romein-Verschoor lezing gehouden. Oud-minister Bussemaker hield een betoog met als titel: ‘De Nederlandse vrouw: bakfietsmuts of gelukkig deeltijdmens?’ Als nieuwbakken bakfietsmuts moest ik hier natuurlijk naar toe. Al was het alleen al om te ervaren of mijn beslissing bestand was tegen een avond van dit kaliber. De inhoud bleek wel iets genuanceerder dan de expliciete titel van het betoog deed vermoeden. De centrale boodschap was, dat het zonde is dat het overgrote deel van de vrouwen in ons land deeltijd of niet werkt. Tot zo ver was ik het net zo hartgrondig met haar eens als de rest van de (vrijwel uitsluitend) dames in het gehoor.

Economische onafhankelijkheid

Zelf heeft mevrouw Bussemaker zich veel ingezet voor werkende vrouwen, voornamelijk onder het mom van economische onafhankelijkheid. Want de vrouwen die geen of een beperkte betaalde baan hebben, gaan er vanuit dat ze voor altijd bij hun partner zullen blijven en die zijn baan niet kwijt zal raken. En omdat voorgaande aannames in het echte leven lang niet altijd bewaarheid worden, zijn vrouwen oververtegenwoordigd in de armoedecijfers. Voor mensen die hun betaalde werk zien als een weg naar zelfontplooiing en vrijheid, is dit misschien zo klaar als een klontje. Maar angst om verlaten te worden lijkt me toch niet echt een goede motivatie om je te willen binden aan een baan.

Zwalkend overheidsbeleid

Ondanks de feministische inslag van de avond, kwam mevrouw Bussemaker er ook voor uit dat de beperkte participatie op de arbeidsmarkt in Nederland het gevolg kon zijn van een zwalkend overheidsbeleid en een goede economische situatie. Door de regels omtrent opvang, verlofregelingen en vergoedingen steeds aan te passen, creëert de overheid geen stabiele basis om als gezin een meerjarenplan op te bouwen. Aan de andere kant gaat economisch dermate goed, dat het lang niet altijd noodzakelijk is dat beide partners (fulltime) werken. Zelfs net afgestudeerden werken vaak parttime, om zo ook tijd te hebben voor andere dingen, zo bleek uit een recent onderzoek van het CPB. Blijkbaar was ik de enige in de zaal die zich afvroeg wat daar mis mee is. Zolang we allemaal ons steentje bijdragen hoeft immers niet iedereen een carrièretijger te zijn. Waarom zou werk alleen gewaardeerd kunnen worden wanneer het betaald, buiten je eigen netwerk en fulltime is? Iets wat voor sommige mensen een verworven goed is, hoeft niet voor iedereen een opgedrongen last te worden.

Cultuur

Hoe graag we beweren zelfstandig te zijn, ook hier lijkt de invloed van onze cultuur en sociale druk een belangrijke rol te spelen. Als een kind ziek is wordt over het algemeen de moeder gebeld. Ooit van een luizen-, overblijf- of voorleesvader gehoord? Daarbij lijkt het in Nederland een soort mores dat je je kind maximaal twee dagen per week naar een opvang of brengt. Ook ik heb me vaak genoeg moeten verdedigen dat ik fulltime werkte, zelfs tegenover mijn manager. Daarmee komen we bij een andere kant, die ondanks alle maatregelen ook cultuur blijft, namelijk dat het voor vrouwen lastiger is om door te groeien dan voor mannen. Ongeacht het aantal gewerkte uren, afgeronde opleidingen en eventuele aanwezigheid van kinderen. Je kunt dan wel heel veel willen, maar wanneer je keer op keer het deksel op je neus krijgt, is het toch ook een voorrecht dat er meer in je leven is dan een carrière of economische zelfstandigheid! Want hoe lang duurt de periode waarin kinderen je intensieve dagelijkse zorg nodig hebben nu helemaal? Daarvoor en daarna kan je jezelf helemaal geven voor alles wat jij belangrijk vindt. Maar in de tussentijd lijkt me dat je ook een goed rolmodel bent, wanneer je carrièretechnisch even wat gas terug neemt.

Geef een reactie